BLOG

SPOREN

05/09/2021

‘Sporen’ is de titel van de dichtbundel die Far Wevers schreef en nu op de marmeren tafel in het midden van de expositie ligt. Het is één van de vele sporen waarin hij nog aanwezig is. Net als het roestkleurige schilderij wat hij maakte – met de bomen – die op het schot boven mijn 28 kunstwerken hangt in de galerie. Zijn werk is alleen nog te zien voor de aandachtige kijker, zoals dat vaak gaat met sporen.

De Artist in Residence week in Oosthem stond voor mij in het teken van het op eervolle wijze nieuw leven inblazen in de voetsporen van de kunstenaar en dichter die zo verbonden was met die plek, het water, het huis, de galerie, alle mensen daaromheen en Betske.

Lopen in sporen is voor mij niet herhalen, niet nostalgie, maar de herinneringen en alles wat en wie er al was en mij inspireert – tot leven brengen in het nu. Door in dialoog te gaan met de plek, die mij vaak dingen vertelt in veel meer talen dan alleen de menselijke. Kleuren, structuren, composities, klanken, constructies, paadjes, vogels alles vertelt mij dingen van wat er is en was op die plek.

Grondgesprek

De taal van mijn voeten
is die van het voelen
van woorden verborgen
diep in de grond

ik loop met de klank
van het kloppende hart
stap voor stap
bons voor bons.

Melkkar

Op vrijdag rijd ik de parkeerplaats aan het water in Oosthem op, ik kom aan met ‘Blauwbes’, de naam die we gaven aan onze oude Zweedse blauwe Volvo 940. Betske wacht mij op met een grote melkkar. De kar waarin vroeger de boer de melk van de koeien naar de weg bracht. Vanuit daar kwam de melkrijder met de melkvrachtwagen om het naar de fabriek te brengen. Nu leg ik mijn kunst in de melkkar. Zorgvuldig ingepakt in papier en bouwtape dat Friso en ik over hadden van het bouwen van ons huis in Zweden.

Ik werk met wat ik om mij heen vind. Wat met mij praat. Wat misschien iets anders was en opnieuw een functie krijgt.

De melkkar hobbelt achter Betske aan over het kleine bruggetje met de naam ‘De Draai’. Het is een vernuftig gebouwde brug die open kan draaien in een halve maancirkel. Een brug die soms tot geduld maant als zij zich weer opent voor een boot die aan komt varen.

In de galerie aangekomen pak ik mijn werken uit en zet ze in de galerie die ook nog vol hangt met de werken van Far. Dat stelt mij gerust. Na mijn weekend Texel zal ik terug zijn op maandag om te beginnen met inrichten. Zo kunnen zijn werken, die van mij en de ruimte zelf een paar dagen en nachten in stilte aan elkaar wennen.

Plakletters

Op maandagochtend is Peter ’t Hoen al aanwezig, als oud-galerie houder en beeldend kunstenaar helpt hij mij met cureren en inrichten. Peter heeft veel ervaring met het inrichten van exposities, onder andere bij het Van Abbemuseum en met Jan Wolkers. Peter vraagt of ik Wolkers kende van Texel. Ik zeg dat hij mij weleens als kind complimenten bij de kapper gaf over mijn ‘mooie rooie haar’, maar dat ik het toen een gekke oude man vond.
Peter en ik besluiten twee muren donkerblauw te schilderen. Op naar de bouwwinkel om verf te halen. We kiezen voor Geldersblauw. Peter noemt het Volvo blauw. Hij houdt van oude volvo’s zegt hij nadat hij Blauwbes zag staan op de parkeerplaats. De vrouw die werkt in de bouwwinkel vindt de verf in de emmer veel lichter lijken dan op het kaartje staat. Na het mixen wappert ze de blauwe verf een tijdje voor ons droog op een wit papiertje. ‘Ik wil checken of dit wel klopt’ zegt ze. De verf droogt veel donkerder op. Het klopt.
Terug in de galerie is Gerrit van rond de vijfenzeventig aanwezig. Hij meet en timmert alle spijkers op de hoogte die wij willen. Dat doet hij goed en ik voel me bevoorrecht met zoveel goede hulp. Peter en ik schilderen twee schotten in het midden van de ruimte donker. De donkere werken lichten mooi op uit het blauw. Het grafiet van de potloodstrepen schittert in de zon. De zin ‘Ik luister naar de hartslag van de aarde’ Schittert me van dichtbij tegemoet. Later komt Peter met het idee om de titel van de expositie op de muur te plakken. Ik ben meteen voor en ga opnieuw de deur uit, De Draai over, pak de auto en loop de bouwwinkel in om plakletter te halen. De R-en zijn op. Peter maakt ze van P’s en I’s. ‘GPONDGEPEK’ verandert in ‘GRONDGESPREK, na een middag meten, plakken en zo secuur mogelijk recht draaien.’

Er zijn letters waaraan harder is gewerkt dan anderen, maar niemand die het nog ziet. Het gesprek komt langzaam samen, tot leven.

Elventaal

Sinds ik een paar jaar geleden een stuk van een reuzen gewei uit de laatste ijstijd gevonden heb, zijn vondsten nog belangrijker geworden voor mij. Vondsten kunnen magisch voelen, als een geheimtaal van de wereld om je heen die plots begint te spreken of zingen zelfs.
In mijn kunst is de ruimte voor de vondst een essentieel onderdeel. Met daarbij de vraag: Wat is er al – als je goed kijkt en luistert? Samen met kinderen en volwassenen onderzocht ik die vraag in workshops die ik gaf in de galerie. De jonge kinderen renden naar buiten, raapten veren en bloemblaadjes van de grond. Bestudeerden de lijnen in een spinnenweb en waren gefascineerd door de robotgrasmaaier ‘Harry’. Één van de oudere kinderen (elf jaar) liet mij horen en zien hoe zij Elventaal spreekt en schrijft in haar kunst. Ze laat zich inspireren door Lord of the Rings en geeft daar zelf haar eigen kleuren en klanken aan mee. Ook inspireerde het beeld van Bert Otter, de Wachter, in de tuin haar. De uitgehakte spiraal van lijnen in het midden van het hart deden haar denken aan een schelp. In veel kleuren schilderde ze deze later op haar eigen manier. In de workshop voor volwassenen ‘Een beeldgedicht maken’ gingen ook zij enthousiast de tuin en hun innerlijke wereld in. Er werden woorden herhaald, onleesbare tekens ontdekt, met inkt, waterverf en papier experimenten gedaan. Iemand inspireerde zijn tekening op de kronkels van de tuinslang. Een ander visualiseerde in haar beeldgedicht de cyclus van de seizoenen en leven en dood. Ze schetste een beeld van een bloem die denkt in abstracte kleuren en werd omringt door de woorden: Groei bloei sterf, groei bloei sterf, groei bloei sterf.

Ribkarton

Ik houd van karton en vooral ribkarton. Het is overal. We doen er van alles in en het wordt overal heen verhuisd. Gemaakt van bomen en lucht geeft het mij een aards en sympathiek gevoel. Een allemansvriend die ik erg bijzonder vind. Het bijzondere benadruk ik door karton als kaft voor het boekje van de dichtbundel te gebruiken. Ribbels soms zichtbaar, ik beschilder het in ruige vlakken en strepen met de rode oker kleur verf die mij een gevoel van verbinding met de aarde geeft.

Alice en Ben helpen met de voorbereidingen in de galerie. Ze komen uit de jaren 52’ en 55’, dezelfde jaartallen als mijn ouders. Het geeft me meteen een vertrouwd gevoel. Ben helpt in de tuin en Alice helpt bij het eten en mij met de boekjes die ik wil maken.

Alice ‘van Wonderland’ zegt ze als ik vraag hoe je haar naam schrijft. Ik schrijf haar naam in een gedichtenboekje die ik haar geef. Ze heeft me geholpen met de laatste spellingcheck, de schutbladen op maat te snijden, de kartonnen te snijden voor de kaft en de bovenste laag van het karton op sommige plekken af te scheuren zodat de ribbels zichtbaar worden, en uiteindelijk het papier in elkaar te naaien, ondertussen hadden we veel plezier en fijne gesprekken samen. Ik zet de kaften naast elkaar in de kast. Mensen kunnen zelf een schutblad kleur kiezen, bruinrood, dennengroen, midblauw en lichtroze en daarna een kaft met de oker rode verf. Voor Alice schrijf ik een dankjewel.

Tonen

De dag voor de opening komen mijn vrienden en muzikanten Anna Trap en Caroline Kamp om te repeteren en een nachtje in Friesland te logeren. Met zang, gitaar, citer en contrabas gaan zij de ruimte bij de opening vullen met muziek. Ook zullen we samen een aantal van onze poëzieliederen uitvoeren. Een combinatie van voordracht, zang, melodie en ritme.

Het mooie aan muziek vind ik dat het kunst volledig in het Nu is. Nu denk ik aan de zinnen die ik schreef in het gedicht ‘in’. Brekende tonen helen / Brekende tonen leven.(…) De grens zingt // Nu. Nu. Nu.

Zo volledig aanwezig en luisterend musiceren dat het gebrokene weer heel wordt, dat kan Anna, dat kunnen zij samen.

Lauri, mijn oudste vriendin van de basisschool van Texel komt ook naar de opening. Ook zij is zangeres en ervaart de muziek, mijn werk en de gehele expositie op haar eigen manier, ze stuurt me later een berichtje: ‘Zo mooi om jouw werk als geheel te zien op die mooie plek in Oosthem. De contrabas was de grondtoon van het grondgesprek vanmiddag en de citer met Anna’s stem het lichte veertje; beide kanten; licht en donker vertegenwoordigd, net als in jouw werk.’

Op gezette tijden verschijnt hier een blog of column. Geschreven door iemand die nauw betrokken is bij Galerie Oosthem.

blog ARCHIEF